
Schiphol is voor de meeste reizigers het beginpunt van een reis, een plaats om over te stappen of een eindbestemming. Voor strafrechtadvocaten is het ook iets anders: een constante stroom drugszaken in allerlei vormen en maten. Ik doe er eerlijk gezegd vrij veel. Niet alleen de klassieke bolletjesslikkers, maar ook koffers met hard- of softdrugs, dubbele bodems, post- en cargozendingen en alles daartussenin. Schiphol is daarmee niet alleen een luchthaven, maar ook - hoe onprettig dat klinkt - een potentieel distributiecentrum voor verdovende middelen.
De zaken zijn vaak minder spectaculair dan men denkt, maar juridisch interessant genoeg. De basis is meestal eenvoudig: invoer, uitvoer, vervoer of aanwezig hebben van middelen op lijst I of II van de Opiumwet. In de praktijk gaat het bij Schiphol vooral om invoer van harddrugs (denk aan cocaïne via intercontinentale vluchten) en uitvoer van softdrugs (bijvoorbeeld koffers met hennep richting het buitenland). Soms zit de complexiteit niet in het feit zelf, maar in de rolverdeling: koerier, medepleger, organisator, of - steeds vaker - iemand in de logistieke keten die het proces faciliteert.
De bolletjesslikker is juridisch gezien nog altijd een terugkerend fenomeen. De feiten zijn helder, maar de beoordeling niet altijd eenvoudig. Denk aan bewijs (aantallen, gewicht, zuiverheid), maar ook aan persoonlijke omstandigheden en de vraag in hoeverre iemand een radertje is in een groter geheel. In de rechtspraak zie je dat de strafmaat sterk wordt bepaald door hoeveelheid en rol. Voor kleinere hoeveelheden volgt geregeld een kortdurende gevangenisstraf; bij grotere hoeveelheden of een organiserende rol loopt dat logischerwijs snel op.
Bij koffers en cargozendingen speelt vaak het bewijsprobleem: wie wist wat, en wanneer? Het enkele feit dat iemand met een koffer reist, zegt nog weinig. Daar zit het juridische werk: verklaringen, reispatronen, communicatiegegevens, en soms gewoon de vraag of iemand naïef was of bewust handelde.
Wie zich afvraagt wat daar nu concreet op staat, ziet in de praktijk vrij duidelijke bandbreedtes. Bij invoer van harddrugs (lijst I Opiumwet) door een koerier met een beperkte hoeveelheid (grofweg tot circa 1 kilo cocaïne) zie je vaak gevangenisstraffen van ongeveer 6 tot 12 maanden. Gaat het om meerdere kilo’s, dan loopt dat al snel op naar zo’n 18 tot 36 maanden, en bij grotere partijen of een organiserende rol nog verder. Bij bolletjesslikkers ligt de strafmaat vaak in dezelfde orde van grootte: bij kleinere hoeveelheden enkele maanden, bij grotere hoeveelheden richting een jaar of meer. Uitvoer van softdrugs (lijst II) wordt lichter bestraft, maar bij koffers met grotere partijen hennep zie je nog steeds geregeld straffen van enkele maanden tot circa een jaar. Het blijft maatwerk: hoeveelheid, rol, recidive en persoonlijke omstandigheden maken telkens het verschil.
Wat mij in deze zaken blijft opvallen, is hoe ‘alledaags’ ze zijn. Geen spannende achtervolgingen, maar controles, scans, wachtruimtes en verhoren. En tegelijk: het decor is een luchthaven waar alles draait om controle. Dat maakt Schiphol bij uitstek een plek waar strafrecht en luchtvaart elkaar raken.
Voor de meeste reizigers is Schiphol een doorgang. In het strafrecht zie je wat er gebeurt als iemand die doorgang voor iets anders gebruikt.
Ontvang een jaar lang 30% korting op het beste van Luchtvaartnieuws en Zakenreisnieuws. Krijg onbeperkt toegang tot al het nieuws en de bijbehorende Apps. Ontvang tevens 12 maanden het Luchtvaartnieuws Magazine in de mail of op de mat.